25-01-06

DE HOEDENDOOS

EEN VERHAAL UIT DE HOEDENDOOS VAN BENJAMIN MARCUS

Voor de muur van een huis in de Nowolipki zit een magere man viool te spelen.
Altijd drie of vier dezelfde tonen. Een kind van een jaar of vijf loopt links de foto uit.
De man heeft een armband om de rechterarm.
Zijn jasje is te klein, zijn vlekkerige broek te groot.
Hij kijkt angstig naar de camera.

(Enkele noten van Deutschsland, Deutschland über Alles op de xylofoon)

De fotograaf Heinrich Hallman, die op 19 september 1941 het Getto van Warchau bezocht was onderofficier bij het Duitse leger.
Het was de dag van zijn 43ste verjaardag. Hij wilde die 's avonds vieren met enkele vrienden in het hotel Bristol.

Voor hij daar naar toe ging, maakte hij met zijn Rolleiflex 140 foto's in het getto.

Misschien ontmoette hij er die dag Benjamin Marcus, veertien jaar, werkzaam bij de Ostbahn op het Danzig-station, naast de ... overslagplaats.
Hij moest er wagons in- en uitladen. Hij nam zijn intrek in Zamenhof 19. (neunzehn)In hetzelfde jaar 1941.

Onthou hun namen goed: de toevallige fotograaf Heinrich Hallman, Duits soldaat en de jonge Benjamin Marcus, vluchteling en jood.

En dan nummer drie.
De jonge vrouw Anna Jankowsky. Verkoopster in een winkel van stoffen voor herenkleding. Anna Jankowsky.

Onderofficier Heinrich Hallman kwam immers niet alleen uit nieuwsgierigheid naar het getto.
Hij zocht iemand.
Hij zocht Anna.
Hij heeft haar niet gevonden.
Benjamin Marcus vond haar wel, één jaar later.Net voor de eerste evakuatie van het getto.

Ze gaf hem de baby.
Een vijftienjarige jongen met een baby.
Twee overlevenden.
Ik met mijn nieuwe vader. Een vader van vijftien.

Jonathan. Geboren uit een Duits soldaat en een Joodse vrouw. Jonathan erfde van zijn echte vader de foto's, van zijn pleegvader een hoedendoos herinneringen, van zijn moeder een gescheurd linnen broekje, een uitgerafeld hemdje en een ooit witte armband met een blauwe davidster.
De combinatie van deze drie erfenissen is..is.. een complete gekte, hier samengebundeld in een eerste en laatste voorstelling van het kleinste theater ter wereld. Het theater uit de hoedendoos.
Op de ovale hoedendoos waarin Benjamin's erfenis stak, speelt Jonathan Zamenhof -genoemd dus naar het woonkwartier van mijn jonge pleegvader (Zamenhof 19) -hij speelt hier nu zijn enig stuk waarin hij tevergeefs probeert zijn krankzinnigheid te bezweren.
Ja gezegend met een puistekop, een bochel en een reeks andere kwalen verkiest hij daarom zelf onzichtbaar te blijven, verbergt hij zich, en geeft hij zijn voorstelling vanuit de geluiden die de speelgoedjes uit de hoedendoos maken.

Want jawel, van zijn net zo gekke vader erfde hij alhier te horen:
Eén kinderpiano, Tjechisch fabrikaat.
Eén ratel.
Twee belletjes in hout gevat.
Een houten toetertje.
Een speeldoos met veer
Een speeldoos met de hand gedraaid.
Eén kleine mondharmonika en eén grote mondharmonika.
Een houten kleppertje.
Een xylofoontje, met do-re-mi-fa-sol-la-si-do.
En zijn grootste schat: een houten fluit waardoor met twee tonen het roepen van de treinen hoorbaar wordt.
O goede gekte, wat heb ik toch met treinen?

Weemoedig klinken ze als 's avonds de stad vol hangt met mist en mijn jonge vader niet kon ophouden met zijn wonden dicht te vertellen.
God wat kon die man vertellen!
Alsof hij het zelf had meegemaakt.
Wacht even.
Ja. Hij had het zelf ook meegemaakt, maar hij kon het niet geloven natuurlijk en daarom moest hij het blijvend vertellen, vertellen, vertellen, vertellen, tot hij waarschijnlijk al vertellend in slaap is gevallen en door een goederentrein voor goed van het vertellen werd verlost.

Maar hij had mij besmet.
Hij heeft me in zijn verhalen gewikkeld zoals anderen hun kinderen in luiers wikkelen.
Probeerde hij mijn bult te verbergen?
Wilde hij de puisten wegvertellen, ze uit mijn kop snijden met de scherpe kant van wat de geschiedenis hem heeft aangedaan?
Wilde hij zijn verhalen als een ratel voor zich uit dragen. Roepend: ik ben melaats. Ik heb te veel gezien, te veel gehoord, te veel geroken.
Jaja, te veel geroken.
Nergens anders waren de mensen zo ruikbaar als in het getto. Stank van opeengepakte mensen.
Ook de weeë geur van bloed.
Het eerste transport uit het getto van Warchau. Juli 1942.
Mensen in een lange onafzienbare rij in het Leszno, en vandaar werden ze dan naar de overslagplaats gebracht.
Mijn vader heeft het gezien. Hij laadde vlakbij wagons in en uit.
Hij zag hoe er enkelen probeerden te vluchten.
Politiemannen schoten.
En hij heeft hun lijken door het lijkentransportbedrijf zien weghalen.
En zijn grootouders, ooms en tantes, die woonden toen Nowolipki 35, dicht bij het bedrijf van Schultz. Die werden toen mee weggevoerd.
En dat heeft hij met eigen ogen gezien. Met zijn vijftienjarige ogen.
Dat heeft hij geroken, met zijn vijftienjarige neus. Dat heeft hij gevoeld met zijn vijftienjarig hart.

Tegenover het huis Zamenhof 19, waar m'n vader woonde, was Zamenhof 44, het kantoor van de waarderegistratie. Daar nam de afdelingsleider van de waarderegistratie -let op de woordspeling- daar nam de afdelingsleider van de waarderegistratie joodse vrouwen en meisjes mee naar boven, en daar verkrachtte hij ze en gooide ze dan 's nachts uit het raam.
Hij, mijn jonge vader heeft meermaals 's morgens lijken van Joodse vrouwen en meisjes onder het raam van de waarderegistratie zien liggen. De waarderegistratie.
En hij kon zelfs 's nachts zijn ogen niet meer sluiten.
Hij probeerde de lijken weg te vertellen.
Hij heeft ze mij beschreven. De meisjes van de waarderegistratie.
Hij heeft ze naar mijn jongensziel gedeporteerd. Naar mij de Duits-Joodse bastaard.
De geschiedenis met de bult. Eigen schuld dikke bult.

(geluid treinfluit)

Dit is een foto van de Nowolipki. Het kantoor van de begrafenisondernemer Mordechai Pinkert is zichtbaar.
Er hangt een bord boven de winkeldeur.
Lange rijen mensen staan aan te schuiven.
Vooraan zit er een jongetje met zijn rug naar de fotograaf bij een kinderwagen gevuld met boeken.

Aj, de kaart,
ik geef mijn kaart niet af,
want Pinkert is een beest,
hij neemt de doden hun kaarten af.
Aj, de kaart!

Dat zongen de kinderen in het getto.
Bij Pinkert werkte de vriend van mijn jonge vader. Ook een Benjamin. Benjamin Gruszka, maar iedereen noemde hem Bolek.
Zijn vader had een groentehandel moeten opgeven toen er geen groenten meer in het getto waren, en hij was lijkendrager bij Pinkert geworden. Lijken waren er genoeg. Steeds meer. Zijn vader werd spoedig 'geëvacueerd' naar Treblinka.
Als hij niet naar de Ostbahn moest, hielp mijn jonge vader Bolek wel eens. Om iets bij te verdienen.
Dan kwam er een telefoontje uit het hoofdkwartier van de gestapo in de kelder van Zelazna 101. Meestal belde de Joodse politie: vooruit naar het hoofdkwartier. Kelder leegruimen.
Routinewerk. Soms droop er nog bloed van de mensen af.
Hier komt het houten toetertje vandaan. Het rolde uit de zak van een gemartelde vrouw. Het was nog nieuw.
Mijn jonge vader zei dat het de stem van de vermoorde kinderen uit het getto heeft.(geluid van het toetertje)

In april 1941 waren er ongeveer 450.000 mensen in het getto. Op 307 hectare.
Zeven vierkante meter per inwoner.
Zo kan men gemakkelijk de stank verklaren van de overbevolkte straten.
130.000 kinderen onder de veertien jaar hebben Warchau niet overleefd.
(geluid van het toetertje)

Op het troittoir van een zijstraat ligt een kindje van een jaar of drie, vier.
Alhoewel het midden september is draagt het geen schoenen.
Het heeft lompen aan en kan zich niet meer oprichten.
Drie jongens van zo'n jaar of dertien lopen voorbij. Alleen de middenste kijkt naar het stervende kind.

Dat is een foto gemaakt door mijn echte vader Heinrich Hallman, Duits onderofficier in Praga, een voorstadje van Warchau.
Waarom heeft hij deze foto genomen?
Terwijl ik in de buik van Anna Jankowsky zat, fotografeerde mijn vader met zijn Rolleiflex dit stervende kind.
Kom kinderen uit Warchau, klaag met Rachel.

Hier , tegen de gevel zit een meisje van een jaar of negen. Op haar benen ligt haar zusje.
Het nog levende meisje houdt haar handje beschermend over het lichaam van het liggende kind.
Ze kijkt niet naar de fotograaf. Ze kijkt naar links, naar iemand die niet zichtbaar is.

Ik vertel het toch goed?
Kunt u zich dit meisje voorstellen. Ze zit op straat met haar dode zusje op haar schoot. Het is de 19de september 1941.
Straks zal ze de kleren van haar zusje uittrekken en het lijkje op straat laten liggen, onder een krant of een beetje inpakpapier.
Als de familie een begrafenis wil, moeten ze belasting betalen.
Dus worden de lichamen op straat achter gelaten. Werk voor de Joodse raad..
Adam Czerniakow, de leider van de Joodse gemeenschap in het getto schrijft in december 1941: de intelligentsia is stervende. Tot dan stierven alleen de armen, maar van nu af aan is de intelligentsia aan de beurt.

Kwam je niet alleen om Anna Jankowsky, Heinrich Hallmann?
Wilde je een bontjas tegen een spotprijsje kopen, een nieuwe lens voor je rolleiflex, het kon allemaal voor een prikje. Levensmiddelen waren duur, onbetaalbaar.
Zoals mijn jonge vader Benjamin plotseling oog in oog stond met het zoontje van de Duitse gouverneur-generaal Hans Frank.
Het jongetje kwam met zijn moeder en een kindermeisje 'boodschappen' doen in het getto.
Met de mercedes. En ss-bewaking.
Terwijl de moeder uit de auto stapte, riep ze: Hier op de hoek is het. Daar hebben ze zulke mooie corseletten, en die bontjassen!
Niklas Frank, achter in de auto, en Benjamin Marcus, op de stoep van de Nowolipki keken elkaar aan.
Het was een zondag. Niklas stak zijn tong uit. Benjamin ging weg.
Later, toen de auto vertrokken was, vond Benjamin de kleine mondharmonika in de goot. Ook die was nog nieuw. Net als het toetertje. Ze kon maar enkele noten produceren. Genoeg om alle Duitse liedjes te begeleiden.

(geluid van de kleine mondharmonika)

Toen ik twaalf werd kreeg ik van Benjamin een grote mondharmonika.
Ze was mijn troost op het internaat.
Daarna vergat ik ze. Later vond ik ze terug in de hoedendoos.
(geluid grote mondharmonika - stilte)

Op deze foto staat een man bij een kuil.
De bodem is bedekt met lijken.
Ze liggen heel dicht bij elkaar.
Naast elkaar of met de benen in elkaar geschoven. Elk plaatsje is benut. Het zijn meestal vrouwen.

De Joodse begraafplaats grensde aan de katholieke Poolse begraafplaats en aan het voetbalveld 'Skra'.
Aan de arische kant dus. Ertussen was een muur. Via die muur werden mensen en wapens gesmokkeld.
Lijkwagens hadden meestal een dubbele bodem of dubbele wanden.
De toegang tot de Joodse begraafplaats was een poort, heel idyllisch met klimop begroeid.
Hier werd Jasia Starkopf binnengebracht, vergezeld van haar rouwende moeder.Haar vader liet zich met het kind opsluiten in het lijkenhuis.
Daar ontwaakte Jasia uit haar verdoving. Een bevriende arts had haar een spuitje gegeven om haar tijdelijk te verdoven.
Mijn jonge vader hielp de opzichter van de begraafplaats de heer Navojak om vader en dochter over de muur te krijgen. Het muziekdoosje met veer kreeg hij als geschenk. De muziek van de verrezen Jasia

(geluid muziekdoosje)

Vooraan op deze foto liggen drie lijken. In de verte gooit een jonge jongen lijken in een kuil. Hij draagt daarbij houten handschoenen. Beneden in de kuil legt een man de lijken naast elkaar.

(geluid van houten kleppertje)

Het houten kleppertje.
Dat heeft mijn jonge vader zelf gemaakt.
Toen hij nog een jongen was. Het bestaat uit een steeltje met een middenvlak. Daartegen aan klepperen twee halve rondjes.
Eerst diende het kleppertje om signalen te geven aan zijn vriendjes die ook zo'n kleppertje hadden.
Later, toen hij bij de Ostbahn werkte, klepperde hij ermee als hij de mensen naar ... de overslagplaats zag drijven.
(geluid van het houten kleppertje)
Nog later, toen we in Antwerpen woonden, gebruikte hij het om zijn boze dromen te verdrijven.
Nu gebruik ik het als ik de gedachteniskaars aansteek en ik de mensen uit papa's verhalen probeer op te roepen.
Ik heb ze niet gekend. Maar ik ken ze. Ik bewaar ze in deze hoedendoos.
Ik roep ze op. Ik ruk ze los uit de levenloze foto's van Heinrich Hallman. Ik haal ze terug uit de straten van het getto.
Benjamin zei: ze sterven nooit zolang wij aan hen denken, Jonathan. Als wij ze vergeten gaan ze een tweede keer dood.
Kom.

(toetertje, kleppertje, speeldoos-veer, kleine mondharmonika)

Twee kinderen zitten tegen een bakstenen muur. Het jongetje is zes jaar, het meisje niet ouder dan drie. Ze hebben een metalen beker tussen hen beiden staan. Ze bedelen. Ze hebben honger. Ze kijken recht in de lens.

Benjamin Marcus zag de kinderen van dokter Henryk Goldszmit, alias Janusz Korczak. Het was de vijfde augustus 1942. Een warme dag. De dokter stapte met tweehonderd weeskinderen naar de overslagplaats.
Ze verdwenen met zijn allen in de goederenwagons. De trein naar Treblinka. Elf uur had de trein nodig voor dit korte stukje. Daarna gingen ze tussen twee hagen van prikkeldraad door, de gaskamer in. Dr. Goldszmit als laatste.
Mijn vader kende de kinderen van het weeshuis. Vaak liep hij aan bij de dokter en hij leerde de kinderen eenvoudige fluitjes snijden uit takjes of spaanders. Tot er geen takjes of spaanders meer waren.
In het ontruimde weeshuis vond hij na hun vertrek het treinfluitje.
(geluid vanhet treinfluitje)
De trein naar Treblinka. Kinderen onder de vier jaar gratis. Onder de tien halve prijs.
De rest reisde tegen groepstarief. Zo werden de joden vervoerd tegen excursietarief, daardoor gingen ook volwassenen voor halfgeld.
De organisatie van de treinreizen werd door een reisbureau behandeld. Het reisbureau voor Midden-Europa zorgde voor facturering, en kaartjesverkoop.
Gaskamers of vakantieoord, het was hetzelfde bureau, dezelfde procedure, dezelfde facturering.
Het eerste transport joden van Warchau naar Treblinka heeft op 22 juli 1942 plaats.
De volgende dag pleegde Czerniakow, de leider van de joodse gemeenschap zelfmoord.
Een laatste aantekening in zijn dagboek: 'Ze willen dat ik de kinderen met mijn eigen handen dood.'

(geluid treinfluitje)

Een drukke straat. Tegen de gevels staan mannen die vers brood verkopen. Niemand koopt het. Een kind leunt tegen een lantaarnpaal. Met zijn rug naar het brood.

In de Mila wonen de allerarmsten. In de Mila 46 waar 500 personen wonen zijn er 233 mensen gestorven.
Het is dan 30 april 1942, zeven maanden na het bezoek van Heinrich Hallman aan het getto.
In de Mila 51 waar 578 mensen wonen zijn er 430 gestorven, van wie 200 in de loop van de voorbije drie maanden. Het rekord staat op naam van de Krochmalna 21 waar 400 personen woonden. Ze zijn alle 400 gestorven.
In de Zamenhof 56, dichtbij de plaats waar Benjamin was ingetrokken (Zamenhof 19) zijn tien families gestorven. Doodgevroren.
Voor twee sneden brood kreeg Benjamin de twee belletjes cadeau. Hij wilde ze teruggeven, maar daar wilde zijn vriend niets van weten. Benjamin stelde voor dat ze ieder één belletje zouden houden.

(geluid belletjes)

In de zomer voor de zogenaamde evacutie-periode heeft hij met eigen ogen gezien dat Joden in het getto op straat werden doodgeschoten.
Een Duitse officier schoot zijn vriend dood. Hij was net zoals hij vijftien. 'De slachter' was de moordenaar. Zijn vriend had lakens bij die hij buiten het getto wilde verkopen.
Zo komt het dat er twee belletjes in de hoedendoos van mijn jonge vader zaten.

(geluid belletjes)

Nu komt er een verhaal uit de hoedendoos waarvoor ik geen geluid heb, zelfs de woorden zijn te moeilijk. De kreten 'bremze' of 'shipse', snel, snel, in het Pools en het Oekraïens.
Kijk. Of beter nog: sluit je ogen en volg mij.
Hier is het station. Het station van het dorp Treblinka.
En dat is de aankomst van een transport. Telkens dertig tot vijftig wagons.
Dat transport werd in delen, van tien, twaalf tot vijftien wagons gesplitst die naar het kamp werden gereden.
Snel, snel, snel riepen dan de joden van het blauwe commando. Snel naar buiten. Er waren ook Oekraïners en Duitsers. Ogen dichthouden.
Eens de mensen binnen waren moest het rode commando de kleren van de mannen en vrouwen verzamelen en die naar boven brengen.
Eerst werden dan de mannen door de 'pijpenla' naar boven gestuurd. De vrouwen met kinderen moesten wachten tot er weer plaats was.
Naakt, zowel 's zomers als in de winter. Bij temperaturen die in december tot -20° konden dalen. (U ziet ze vast lopen als u de ogen gesloten houdt.)
Nu zijn we dus in de pijpenla. Dat was een hoog omheinde ruimte, gecamoufleerd door een loofwerk van boomtakken, dennetakken. Een speciaal commando van 20 joden ging elke dag die takken halen. Het camouflagecommando.
Ze noemden de pijpenla ook de hemelvaart.
In de hemelvaart stonden Oekraïnse bewakers opgesteld die de mannen die tegenstribbelden sloegen met zwepen.
De gaskamer was niet groter dan vier bij vier meter.(kunt u zich die ruimte voorstellen?)
Er werden tot honderdvijftig vrouwen en kinderen in geduwd. Kleine kinderen gooide men over de hoofden van de aanwezige mensen. (het wordt moeilijk: maar gebruik uw verbeelding aub.) Dan sloegen de motoren van de diesels aan en stroomde het gas binnen.
(Langzaam de ogen openen, ik zou iets voor u spelen, want als je nu ook nog beseft dat de wachtenden het geschreeuw en gejammer van de stervenden hoorden... )
Twee uur ten hoogste tussen aankomst en dood.

U heeft uw ogen weer dicht gedaan?
U was niet alleen. Toen mijn jonge vader me deze verhalen vertelde -ik was toen een jongeman- deed ik hetzelfde.
Maar hij zei: kijk me aan, Jonathan. En laat degenen aan wie je dit verder vertelt je ook aankijken.
Kijken jullie?

Kleren op stapeltjes. Kousen in de schoenen. Schoenen aan elkaar gebonden.
Wat heeft dit kind in zijn kousen verborgen?

(geluid van speeldoosje)

Greensleves.

Terwijl ik bij de katholieke zusters mijn kleine kleuterjaren doorbracht, werkte mijn jonge vader in het rode commando in Treblinka.
Daar, bij de zusters, (geluid xylofoon) hoorde ik voor de eerste keer de xylofoon. Enkele dagen later haalde Benjamin mij op. Het xylofoontje zat in mijn valiesje toen ik het 's avonds uitpakte.

(geluid xylofoon, dan het houten kleppertje)

Ik moet klepperen.
Mama Anna, zie op mij neer.
Heinrich, wo warst du, Adam?
Benjamin. (treinfluit) (stilte)

Tegen een gehavende muur zit een kleine jongen van een jaar of zes, zeven. Hij zit niet . Hij leunt. Hij kan elk ogenblik vallen.
Aan zijn naakte voetjes staat een omgekeerde grote pet. waarin mensen geld kunnen gooien.

Papa.
In je foto's ben je de grote afwezige. Maar de blik waarmee je naar ons hebt gekeken is zichtbaar gebleven.
Onzichtbaar voor jou toen was ik, zo ben jij nu onzichtbaar voor mij.
Duitse onderofficier kijkt zijn halfjoodse zoon in de ogen langs deze foto's.
Op de straten lopen nu de kinderen Ausländer raus te schreeuwen, papa.
In mijn land hebben ze 't over eigen volk eerst.
Welke kant moet ik uit? Ik met mijn twee vaders?
Wij allen met onze honderden en duizenden voorvaderen uit alle landen?

Moeten we weer onderduiken?
Zullen we elke kelder weer verdedigen tegen de dictatuur der domheid?

(geluid van de speelgoed-piano)

Elke avond speel ik met het kleine orkest uit de hoedendoos.
De piano.
Achtergebleven op de omslagplaats. Meegebracht toen hij terugkeerde na zijn laatste dag werk bij de Ostbahn.
De hele hoedendoos heeft hij toen overgesmokkeld naar de arische kant. Over de muur van het kerkhof is hij ermee gekropen.
Blijf bij ons, zegden Poolse vrienden. Het getto brandt.
De doos bleef. Hij keerde terug.

Een haveloze man met een kind op zijn schouder. Beiden blootvoets. Achter hem een winkel van linoleum. De man kijkt naar een jongen van een jaar of tien. Wat wil hij vragen?

(geluid van rateltje)

Een ratel, zelf gemaakt net zoals het houten kleppertje. (ratel)
Pas op. Ik ben besmet.
Ik ben nog steeds niet thuis.
Uit de ruïnes zijn weer mannen met een koude blik naar ons gekomen.
Ze roepen: snel, snel!
Ik ben de ratelslang, zei ik. Maar ze lachten. Ik was toen negen.

Nu ben ik ouder.
Mijn twee vaders nemen me bij de hand.
Heinrich, ik leer met je ogen kijken. Naar de foto's van nu.
Benjamin, ik zal mijn gekte in het hoeden-doos-orkest steken.
Ze zullen het zien en horen.
Met Jesaja fluister ik: een eeuwige naam zal ik hen geven.

Een naam voor de moeders uit de hoofdkwartieren van de talrijke gestapo's. Luister.
(toetertje)
Een naam voor de kinderen die hun tong uitsteken naar de havelozen in de vele getto's. Luister.
(kleine mondharmonika)
Een naam voor de vaders die met hun kinderen over de muren van de begraafplaatsen klimmen. Luister.
(muziekdoosje met veer)
Een naam voor degenen die hun kinderen het leven schenken, tot in de dood. Luister.
(treinfluit)
Een naam voor de vrienden met wie je het brood deelt. Luister.
(belletjes)
Een naam voor degenen die door de hel zijn gegaan. Luister.
(muziekdoosje)
Een naam voor degenen die ons voor de hel hebben behoed. Luister.
(xylofoon)
En jullie die een naam hadden, Heinrich Hallman, Benjamin Marcus, Anna Jankowsky, leer mij mijn naam begrijpen.

Hoor de klanken der vele namen in de hoedendoos.


14:25 Gepost door guido | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |